Voorwoord CDS-Kerstprogramma

Het Kerstprogramma en de oprichting van de CVP 

Na de oprichting van de CVP in augustus 1945 – een mijlpaal in de Belgische politieke geschiedenis – keurde op 25 december van dat jaar de nieuwe partij ook een basisprogramma goed. Dat Kerstprogramma was een complex en gelaagd document. Het stond voor een traditionalistische tijdsgeest die toen nog zeer ruim over de partijgrenzen werd gedeeld, maar anderzijds was het ook sterk vernieuwend.

De katholieke partij worstelde al generaties lang met haar partijorganisatie. De sterkte van de partij was tegelijk haar probleem: ze ronselde kiezers in alle segmenten van de samenleving. Geloof en christelijke waarden vormden de gemeenschappelijke basis, met als belangrijkste strijdpunt het katholieke vrij onderwijs. Maar hoe kan een partij die aldus rekruteert, in haar organisatie ook de socio-economische diversiteit van de samenleving recht aandoen? Welke plaats krijgen de diverse belangengroepen in de partijorganisatie? 

In het interbellum sukkelde de katholieke partij van de ene reorganisatie naar de andere. In 1936 kwam het Blok der Katholieken van België tot stand. Ook die reorganisatie was geen succes, maar toch werden cruciale stappen gezet. Zo verklaarde de christelijke arbeidersbeweging bij monde van P.W. Segers dat de arbeidersbeweging (ACW/MOC) afzag van eigen politieke ambities en tot samenwerking met de katholieke partij bereid was, op voorwaarde dat het programma acceptabel zou zijn en dat het ACW/MOC eigen mandatarissen op de partijlijst mocht zetten. Dat de katholieke partij bereid was rekening te houden met deze ‘standen’ impliceerde ook dat de Kerk aan politieke invloed inboette. De formele acceptatie van de standenorganisaties betekende immers dat er veel meer spelers op het partijveld kwamen, en die waren lang niet allemaal bereid de Katholieke Kerk te volgen in haar sterk integristische opvattingen over de organisatie van de samenleving. De katholieke partij was dus duidelijk op weg naar de formele deconfessionalisering die in 1945 officieel ook zou worden erkend.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten katholieke prominenten in bezet België aan de partijreorganisatie die in 1945 haar beslag zou krijgen. Daarbij speelden minstens drie groepen een belangrijke rol: het ACW/MOC met P.W. Segers, een groep jonge turken rond de Kortrijkse industrieel Tony Herbert, naast ook een conservatieve oude garde met als voormannen de Aalsterse politici Romain en Ludovic Moyersoen. Niettegenstaande de bezetting leefden in alle katholieke studiegroepen autoritaire tendensen, vaak de hele bezetting door. De ontevredenheid over het vooroorlogse Belgische parlementaire staatsbestel werd unisono gedeeld. 

Na de bevrijding wijzigde de context echter fundamenteel. In het najaar van 1944 ontstond een concurrerende christelijke partij, de UDB (Union Démocratique Belge); ze profileerde zich uitgesproken democratisch. Vooral aan Franstalige zijde was de druk erg groot om zich weer ten volle achter de Belgische parlementaire democratie te scharen; zo kon de UDB bij zijn ontstaan ook op prominenten uit de Franstalige christelijke arbeidersbeweging rekenen. Nog een belangrijke factor bij de rehabilitatie van de democratische gedachte, was de ontdekking van de nazigruwelen met sites zoals Buchenwald en Auschwitz. Voorts kreeg ook het vertrouwen in Leopold III als nieuwe leidsman vanaf de bevrijding een knauw, alleen al omdat duidelijk werd dat in het politieke gekrakeel de vorst nooit nog zulke rol kon opnemen (wat de CVP niet beletten zou om in de Koningskwestie, naar buiten toe en vanuit electorale motieven, rücksichtslos de kant te kiezen van de koning).

Bij de oprichting van de CVP/PSC in augustus 1945 benadrukte voorzitter August-Edmond De Schryver dat de partij zich door een sociaal en gezinsvriendelijk beleid ook tot de niet-gelovigen richtte. In de context van het stichtingscongres keurden de aanwezigen een verkiezingsprogramma goed dat in de daarop volgende maanden verder werd uitgewerkt in subcommissies, om te worden samengebracht in het meer concrete Kerstprogramma van 25 december 1945. 

In het Kerstprogramma van 1945 zijn nauwelijks nog institutioneel reactionaire opvattingen aanwijsbaar. Opvallend is wel een pleidooi voor de herinvoering van een algemeen meervoudig stemrecht, waarbij het gezinshoofd een extra stem zou worden toegekend. “En de kinderen? Moeten zij in een democratische staat niet vertegenwoordigd zijn? De C.V.P. vraagt voor het gezinshoofd een aanvullend stembulletijn, daar deze niet alleen zichzelf vertegenwoordigd, en twee maal nadenken moet, omdat het aan vandaag en morgen denkt. Overigens is deze hervorming een gelukkige reactie tegen de te atomistische opvatting van de maatschappij.” Dit pleidooi sluit aan bij ruim verspreide opvattingen onder het katholieke establishment in het interbellum.

In het Kerstprogramma vind je ook een voorstel in de lijn van vooroorlogse corporatistische opvattingen om de gezinnen officieel te erkennen als gesprekspartner van de overheid. Bovendien streefde de CVP ernaar om het gehuwde gezin ook wettelijk te beschermen en  te promoten als best mogelijke samenlevingsvorm. Overspel moest strenger worden bestraft, het duidelijke onderscheid tussen de wettige en de natuurlijk afstamming diende behouden, enzovoort.

Vandaag, 75 jaar later, kijkt de samenleving heel anders aan tegen dit alles. Cruciaal in het Kerstprogramma, is de nadruk op het christelijke personalisme als belangrijk klassenoverschrijdend en verbindend element in de partij. Het personalisme zoals uitgewerkt door Jacques Maritain en Emmanuel Mounier, stelt dat de samenleving moet worden hervormd om de ontwikkeling en waardigheid van de menselijke persoonlijkheid te bevorderen. In dat opzicht is er een grote continuïteit tussen de CVP anno 1945 en het CD&V in 2020.

Vernieuwend in het Kerstprogramma was het formuleren van een globale visie op mens en samenleving, die een duidelijk antwoord moest bieden op het andere mens- en maatschappijbeeld ter linkerzijde, met zijn klassenstrijd en collectivistich gedachtengoed. Een cruciale achterliggende factor daarbij was het Sociaal Pact dat de politieke partijen in december 1944 hadden gesloten. Het vormde de grondslag voor de uitbouw in België van een allesomvattende  sociale zekerheid.

De aandacht voor de ontplooiing van het individu in het Kerstprogramma blijkt bijvoorbeeld uit aandacht voor geneeskunde, voor sociale en medico-sociale diensten, ‘arbeidshygiëne’, opvoeding en onderwijs, jeugdbewegingen en jeugdzorg.

Het Kerstprogramma tekende ook voor een reformistische organisatie van de samenleving, waarin solidariteit vooropstaat. “Tegenover het individualisme en het etatisme, stelt de C.V.P. een organisatie van de samenleving, waarin de natuurlijke maatschappelijke entiteiten, die het beroep en de onderneming zijn, tot hun recht komen en bedeeld worden met de opdrachten en de verantwoordelijkheden die hun toekomen, onder de controle van de staat die bovendien de algemene richtlijnen bepaalt en desgevallend aanvullend optreedt.” Vanuit zulke beginselen zou na 1945 in België een sociaaleconomisch model worden uitgetekend waarin overleg tussen de diverse maatschappelijke en professionele geledingen vooropstaat.

Het Kerstprogramma van 25 december 1945 mag niet los gezien worden van de structurele hervorming die de partij kort voordien onderging, met de oprichting van de CVP. Voor het eerst hadden de christendemocraten een stevige en uitgebalanceerde partijorganisatie, met een duidelijk partijprogramma en een stabiele partijleiding. De versterking van de Belgische politieke partijen na 1945 bevorderde in aanzienlijke mate de stabiliteit van het politieke bedrijf. De crisis van het interbellum had twijfels doen rijzen over de validiteit van het democratische parlementaire model. Daarbij werden vaak de politieke partijen als grote schuldigen aangewezen. Die waren echter slecht georganiseerd – zeker de katholieken en de liberale partij – waardoor de val van de regering veel te vaak het gevolg was van acties van individuen en fracties. De praktijk na 1945 zou uitwijzen dat de partijen niet het probleem waren, integendeel. Overal in Europa droeg de versterking van politieke partijen bij tot een grotere stabiliteit. In België leerde men dus dat een partijgebonden parlementaire democratie best wel werkzaam is. 

Bij de vijfenzeventigste verjaardag van het Kerstprogramma van de CVP is het omzien in verwondering naar het vele wat de traditionele Belgische politieke partijen na de Tweede Wereldoorlog hebben gerealiseerd. Tegelijk zijn er nieuwe maatschappelijke noden, zoals global health, climate change of ook de tanende biodiversiteit, en dit alles in een wereld in beweging waarbij Vlaamse grenzen nauwelijks nog een relevant gegeven zijn.  Zoals in 1945 hebben we dus opnieuw partijen nodig die een ambitieus en visionair programma uittekenen. De Coronapandemie in 2020-2021 is misschien wel een goede opstap om zulke kentering teweeg te brengen.

Prof. dr. Herman Van Goethem

Rector UAntwerpen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *